
Het dorp waar ik vandaan kom heeft twee bossen: Vosbergen en De Braak. Vosbergen is een robuust bos, waar behalve joggers ook mensen met honden en ruiters hun heil zoeken. Tot zover de gewenste gasten; het is de plaatselijke boswachter een doorn in het oog, dat af en toe jongens op crossmotoren het bos onveilig komen maken.
Heel even: ben ik de enige die nogal onder de indruk was van deze gemotoriseerde schimmen? Onherkenbare wezens, met helmen en brillen vol modder. Het had iets dreigends. Je liep door het bos en ineens waren ze er. Vijf, zes, van alle kanten. En dan waren ze al weer weg. Pas veel later bedacht ik me dat jongens op crossmotoren ook gewoon van huis komen. Dat ze thuis een boterham met pindakaas naar binnen werkten en daarna tegen hun moeder zeiden: “Zo nu trek ik mijn motorcrosspak aan en daarna ga ik op mijn crossmotor het bos in, samen met de andere motorcrossers.” En dat zo’n moeder dan zei: “Ik vind alles best, maar je gaat de deur niet uit voordat je konijn te eten heeft gehad.”
De Braak is een heel ander soort bos. Sierlijker. Het is in de 19e eeuw ontworpen door een tuinarchitect met de legendarische naam Lucas Pieters Roodbaard (er is nog veel meer over te vertellen, geïnteresseerden kunnen zich bij mij melden). Het hoogtepunt van De Braak is een groot natuurlijk doolhof. Iets meer hof overigens dan dool, want zelfs de kinderen van de plaatselijke Mytylschool liepen zo van de ingang naar het midden.
Hoewel ik geografisch gezien meer een Vosberger was dan een Braker, kwam ik toch het liefste in De Braak. Op een dag bouwde ik er samen met een vriendje een hut, tussen twee grote eiken. Met een piepklein zakmesje dat ik van mijn grootvader had gekregen, bewerkte ik takken en na een tijdje was er sprake van iets dat wij op een dak vonden lijken. We zaten in onze hut en aten appels en mueslirepen. Denk er een pijl en boog bij en het was Nottingham Forrest. Hij mocht Little John zijn en ik Robin Hood, zo was ik dan ook wel weer.
Plotseling doken er een stuk of zes jongens op. Net als die motorcrossers waren ze er ineens. Van schrik slikte ik een te groot stuk appel door. ‘Of we wel toestemming hadden om een hut te bouwen’ en ‘op welke school wij dan zaten.’ Het ging niet om wat ze zeiden, maar om de toon waarop ze het zeiden. Zo’n toon waardoor je instinctief weet dat je waarschijnlijk niet zonder bloedneus thuis komt.
Ze stonden nu in een cirkel om ons heen en iemand gaf me een duw in m’n rug. Niet grappig: je weet dat zij de slechten zijn en wij de goeien, maar je weet ook dat The A-team je niet komt redden. Laat staan Robin Hood. Het enige dat ik op dat moment kon bedenken was dat we beter naar de Vosbergen hadden kunnen gaan.
De dreiging was nu zo acuut, dat ik bereid was dramatische maatregelen te nemen. En omdat gillen als een speenvarken niet zo veel uithaalt in een bos van twintig hectare, koos ik voor het alternatief: ik knipte het piepkleine zakmesje van mijn grootvader open en stak het dreigend vooruit. Even bleef het stil. Mijn onverschrokken houding leek vruchten af te werpen. Daarna barstten onze aanvallers in lachen uit. En dan bedoel ik niet zomaar een beetje grinniken, maar echt bulderen van het lachen. Bovendien keek mijn vriendje me nu ook nog eens aan met zo’n blik van ‘nou dank je wel hoor, nu zijn we past echt de lul’. Ik kon wel huilen.
De leider van de jongens – waarom is er altijd een leider die moet laten zien dat ‘ie niet voor niets de leider is – deed nu zijn jas open: “Noem je dat een mes?”, zei hij, terwijl hij uit zijn binnenzak een groot vlindermes vlinderde. Nog altijd kan ik daardoor die scène uit de film Crocodile Dundee niet zien, zonder dat de rillingen over mijn rug lopen.
Ik wou dat ik kon zeggen dat we daarna hebben gevochten als leeuwen. Dat de melktanden in het rond vlogen en vijandig bloed het mos donkerrood kleurde. Dat we even later in onze hut tevreden een mueslireep hebben zitten eten. Maar de waarheid is dat we daar een paar minuten hebben staan huilen en ik uiteindelijk het zakmesje van mijn grootvader heb moeten inleveren. Toen mochten we gaan. Ik heb die hut en het zakmesje daarna nooit meer terug gezien.
Met De Braak en mij is het later gelukkig wel weer goed gekomen. Soms kom ik er jaren niet, maar dan wil ik uiteindelijk toch altijd weer weten of dat doolhof nog zo makkelijk is. Zoals een paar weken geleden. Toen we daarna door het bos wandelden kon ik me maar moeilijk op het gesprek concentreren. Ik stopte even bij de plek waar we onze hut hadden gebouwd en speurde tussen de bladeren tevergeefs naar mijn zakmes.
18 januari 2008
Doolhof
Abonneren op:
Reacties posten (Atom)

15 opmerkingen:
Wat een mooi stuk Niels, en ook zo herkenbaar voor mij aangezien wij nog regelmatig in één van beide bossen lopen!
En wees blij dat je dat zakmes niet hebt terug gevonden, in deze verpeste wereld had je die toch niet meer zonder vergunning op zak mogen hebben ;-)
Jolijn
Mooi stukje niels... Ik zal alvast een groter mes kopen om de motorcross jongetjes voor te zijn :d bedankt voor de subtiele hint ;)
Heerlijke herinneringen. Maak van die bossen weilanden en het zijn de mijne... Rutger.
PS Als je me dat verhaal vertelt van Roodbaard mag je je zakmes terug ;o)
Zoals gewoonlijk ben je weer in staat een glimlach op mijn gezicht te toveren met je hersenspinsels. Ik begin een trouwe lezer te worden!
Groet,
Lydia
Heerlijk stukje om weer mee wakker te worden. Het doet me denken aan mijn vakanties van vroeger in de bossen.
groetjes Vera
Kom kom, zo hard hebben we niet gelachen.
Zie daar, size does matter!
Maar serieus, een mooi stukje. Doet me spijt hebben van het feit dat ik niet met 'het bos' ben opgegroeid. Ik word wel altijd rustig en blij van het strand en de zee, waar ik wel bij in de buurt woon. Maar bos geeft weer een heel ander genot...
Begin jaren vijftig, stond er aan het begin van Vosbergen een huis en daar woonde mijn vader. Een paradijs, zeker voor jongetjes zoals hij en jij, blijkt nu. Hij kan er in ieder geval uren over praten (mocht je interesse hebben, meld je dan bij mij).
Op een dag kwam hij thuis met iets wat mijn oma niet vertrouwde en inpikte. Nee, het was niet jouw grootvaders zakmesje, maar een heuse handgranaat achtergelaten tijdens de slag om Eelde-Paterswolde :-)
Mijn opa heeft het ding (voorzichtig!) in de vijver gegooid.. maar het had een spannend avontuur kunnen zijn.
RteK
Raar, wat een rare reacties. Ik heb mn opa's nooit gekend, m'n oma's zeiden altijd dat bossen eng en gevaarlijk zijn, en ik, ik heb een hekel aan bossen, bomen, eekhoorns en natuur. Ik snak dagelijks naar de uitlaatgassen van mijn motor, de aroma van de catalaanse riolen en de geur van de fijn gedraaide drol die dagelijks wordt neergelegd door de hond van mijn onderbuurman, steevast op dezelfde plek.
Wat?
RteB
Is dit echt gebeurd?
Groetjes Johan
Johan, het meeste wel. Maar de vraag is: verandert dat iets?
In het geheel niet! Ik was gewoon benieuwd
groetjes
Hee Niels,
wat een mooi verhaal. Wandelde vaak van de bushalte door de Braak naar hockeytraining in Eelde, maar sinds de komst van mijn trouwe Peu 205 is dat al heel lang geleden. Moet de schoonheid van het bos maar gaan overbrengen op dochterlief. Goed dat je me dus weer wijst op deze mooie wandellocatie!
xx Heleen (D. te G.)
Heb ook een keer zoiets gehad op een camping in het zuiden van het land. Een zestal Rotterdamse dames had ons in het douchecomplex opgesloten. Toen ze van buiten met dreigementen kwamen als 'moeten we jullie even in elkaar slaan?' kon ik het niet laten om te zeggen: "Moet je hierkomen." Wel heel stoer, maar bij nader inzien niet zo slim. Ik hoor mijn vriendinnetje nog zeggen: "Gewoon voor je uitslaan." Wij werder gelukkig wel net op tijd gered door een campingbewoonster.
Misschien dat ik er ook nog eens een blogje over schrijf, want eigenlijk is het best een mooi verhaal...
Wow, dus meisjes deden dat ook!
Een reactie posten