2 mei 2007

Stout

Reizen met de trein, het is nooit mijn ding geweest. Ik beland altijd naast een grote zwetende bouwvakker. De mooie meisjes, die ik al vanaf het perron naar binnen volg, gaan naast andere mooie meisjes zitten en kijken de hele reis professioneel langs me heen.
Die eindeloze vertragingen en excuses voor het ongemak zijn nog tot daar aan toe, maar deze ongevraagde afwijzingen neem ik het gele lint pas echt kwalijk. Ik heb inmiddels geleerd onze haat-haat verhouding te koesteren.

Na een mooie zeiltocht over het Markermeer, windkracht zes in de zeilen op weg van Muiden naar Enkhuizen, zit ik in een lege tweedeklas coupé, als een verliefd stelletje aan de andere kant buiten mijn zicht plaatsneemt. Het is een buitenlandse jongen, waarschijnlijk Turks - ik blijf moeite houden met het onderscheiden van Turken en Marokkanen - en een van origine Nederlands meisje. Hoewel je dat op basis van haar accent niet zou zeggen. Ze is een paar jonger dan hij, een jaar of zeventien.
Ik besluit me niet af te laten leiden door hun gepraat en lees stug door in Arthur Japin's schitterende gebrek. Maar dan wordt het stil. Lang stil. En dat leidt pas écht af. Ik zak wat onderuit en kijk tussen de leuningen en hoofdsteunen door naar de reden van hun zwijgen. Ik zie maar één rug. Zijn rug. Misschien heeft ze iets op de grond laten vallen, bedenk ik me en ik keer terug naar het 1758 van Giacomo Casanova.
Verderop zucht de jongen onder de activiteiten van zijn vriendinnetje. Met een schok dringt tot me door waar ik getuige van ben. Zouden ze weten dat ik hier zit? Ongemakkelijk met mijn plotselinge rol van voyeur, kijk ik nogmaals door de ruimte tussen de stoelen. Ze zit nu bovenop hem. Haar handen gaan door zijn zwarte haar. Ze heeft slanke vingers en haar nagels zijn rood gelakt. De trein is inmiddels gaan rijden. Buiten zakt de zon achter de bomen en door de opengedraaide raampjes stroomt een koele lentewind naar binnen.
Boven het geluid van de versnellende trein hoor ik ze kussen. Moet ik laten merken dat ik hier ben? Ik bereid een kuchje voor, maar bedenk me. Mijn boek ligt al vijf minuten open op dezelfde pagina. Tevergeefs begin ik steeds opnieuw met lezen; Casanova zal moeten wachten.
Verscholen achter mijn zonnebril blijf ik kijken naar mijn breedbeeld op de vrijpartij. Dan maakt het meisje ineens onverwacht een einde aan mijn geheime rol door mijn blik te beantwoorden. Betrapt kijk ik naar mijn boek. Ze zal zich natuurlijk rotgeschrokken zijn. Van hem afspringen en me ontmaskeren. Mogelijk komt haar vriend verhaal halen. Er schiet van alles door me heen. Hoe groot was die vriend? Waar is de uitgang? Hoelang nog tot het volgende station? Waar is die conducteur als je hem nodig hebt?
Maar er gebeurt niets. Het geluid van gekus houdt aan. Ze heeft me niet ontmaskerd. Ze zit nog altijd op dezelfde manier en wacht provocerend op mijn blik. Die ze natuurlijk krijgt, nog voordat we het station van Purmerend binnenrijden. Ze is niet echt mooi, maar haar gezicht heeft iets sensueels. Haar blonde haar zit bijeengebonden in een dikke staart. Als ze zich opricht zie ik haar lange hals.
Nadat de trein tot stilstand is gekomen, staan ze op en lopen in mijn richting naar de uitgang. Ik staar onbewogen naar mijn boek en voel haar blik in het voorbijgaan.
Als de trein optrekt is de coupé weer leeg. Ik neem een slok water, sla mijn boek open en glimlach. Ik maak me ineens niet druk meer over mooie meisjes op perrons. Onder mij razen de rails door het landschap. De trein en ik, misschien wordt het toch nog wat.

Geen opmerkingen: